Bespreking verslag onderzoekscommissie 22 maart 2016

27 oktober 2017

Bespreking verslag onderzoekscommissie 22 maart 2016

 


Mijnheer de voorzitter, nadat ik daarnet als corapporteur het woord heb gekregen, wil ik ook nog namens onze fractie iets zeggen.

 

Collega's, 22 maart 2016 is een dag die wij nooit mogen en ook nooit zullen vergeten. Als het gaat over die dag zullen wij allemaal levenslang een antwoord kunnen geven op de vraag: "Waar was u toen u het bericht kreeg over de aanslagen in het Brusselse?" De beelden van het menselijke leed en de ravage zullen eeuwig op ons netvlies gebrand blijven.

 

Het is dan ook gepast om ons in de eerste plaats tot de slachtoffers te richten. Meer dan 30 levens werden weggerukt. Er vielen honderden gewonden en er werd zoveel familiaal leed aangericht. Collega's, wij hebben naar de slachtoffers en hun families geluisterd. Wij hebben getracht bestaande regelingen te verbeteren. Wij hebben nieuwe oplossingen uitgewerkt, ook voor buitenlandse slachtoffers. Wij hebben ook van hen geleerd.

 

Wij hebben geleerd dat er naast materiële en financiële compensaties ook andere hulp voor de slachtoffers aangewezen is: hen helpen in het administratieve kluwen in onze moeilijke staatsstructuur, die voor slachtoffers haar relevantie heeft, hen rechtsbijstand bieden en hen en hun naasten vooral ook psychologische opvang verlenen. Eerst komen de zorg, de begeleiding en de identificatie van slachtoffers en het inlichten van hun families, correct en snel. Dat is cruciaal. Die lessen hebben wij zeker getrokken uit de aanslagen.

 

Daarnet is door vele collega's terecht hulde gebracht aan alle hulpdiensten. Ik wil de tientallen, honderden mensen die in de buurt van de aanslagen waren en geen professionelen bij hulpdiensten of politie waren, maar spontaan hulp hebben geboden en het beste van zichzelf hebben gegeven ook in die hulde betrekken. Zij hebben getoond dat mensen groot kunnen zijn in moeilijke omstandigheden.

 

Collega's, met de aanslagen in het Brusselse werden wij geconfronteerd met een andere vorm van criminaliteit en een andere vorm van gewelddadig radicalisme. Er werden vaak primaire middelen gebruikt en er werden vooral willekeurig slachtoffers gezocht, vooral zo veel mogelijk slachtoffers, ongeacht wie zij waren. Dat vergt een nieuwe aanpak, in de eerste plaats voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

 

Willen wij met preventieve acties erger voorkomen, dan verdient dat betere uitrustingen, dan verdient dat meer mensen, dan verdient dat meer middelen, zoals de regering ook heeft gedaan, maar dan verdient dat ook meer samenwerking tussen bijvoorbeeld de Veiligheid van de Staat en de ADIV. Dan verdient het ook, naast een nationaal strategisch veiligheidsplan, een nationaal strategisch inlichtingenplan. Dan verdient het ook, buiten onze landsgrenzen, zoals wij Europol en vervolgens Eurojust hebben gekregen, Eurointelligence. Een klein land als het onze kan daarin een voortrekkersrol spelen, al was het maar om stappen vooruit te zetten, desnoods alleen met de landen die daartoe al bereid zijn.

 

Collega's, naast een belangrijke informatie-inwinning is echter wat wij met die informatie doen minstens even belangrijk. Als wij kijken naar de rapporten die in de Kamer werden goedgekeurd van de commissie-Dutroux en van de commissie-Bende I en II, dan hebben wij toen geleerd dat het delen van informatie de achilleshiel was van ons veiligheidsbeleid. Tot treurnis toe moeten wij vandaag in de Kamer unaniem weer diezelfde aanbeveling doen. Ondanks een politiehervorming blijft de informatiehuishouding een zwakke schakel: een veelheid van databanken, zelfs binnen één dienst, bijvoorbeeld de politiediensten, het niet verwerken van informatie, het niet of onvoldoende delen van informatie. Er lopen gelukkig projecten. Een van die goede projecten is iPolice, maar het zal jaren duren eer dat project volop operationeel zal zijn.

 

Het mag echter niet enkel de politie betreffen. Alle veiligheidsdiensten moeten bij informatie-uitwisseling en -vergaring worden betrokken, vandaar – ik kom terug op wat ik als co-rapporteur heb gezegd – is de kruispuntbank voor veiligheid zo cruciaal, omdat wij expertise hebben in ons land. Wij zijn op dat vlak, met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, een voorloper in Europa. Wij hebben daar trouwens talrijke prijzen mee gewonnen. Wij hebben op dat domein expertise. Laat ons die expertise uitbreiden op het veiligheidsdomein waarbij alle diensten betrokken moeten worden.

 

Vele diensten, vele administraties en vele ministers van de regering, mijnheer de eerste minister, zullen daarbij moeten worden betrokken. Daarom doe ik een oproep aan u opdat u, samen met de bevoegde ministers, daarin het voortouw neemt, coördinerend optreedt, eindverant­woordelijken en leidende ambtenaren aanduidt, in een timing voorziet en een plan van aanpak goedkeurt, zodat datgene waar wij het eigenlijk allen over eens zijn, zo snel mogelijk kan worden geïmplementeerd.

 

Op die manier kan datgene waarover wij het allemaal eens zijn zo snel mogelijk worden geïmplementeerd.

 

Collega's, ik hoop dat het nooit meer gebeurt, maar als een dergelijk incident zich in ons land nog eens zou voordoen, van welke aard dan ook, dan kunnen wij ons niet veroorloven om nogmaals een commissie samen te stellen die nogmaals moet aanbevelen om beter samen te werken en meer informatie te delen. Dit zou werkelijk de laatste keer moeten zijn.

 

Collega's, wij pleiten voor het versterken van veiligheidsdiensten. Wij pleiten voor het versterken van inlichtingendiensten. Wij pleiten voor het versterken van politie- en justitiediensten. Wij pleiten voor meer middelen, meer mensen, meer mankracht, meer vrouwkracht. Wij pleiten voor een beter wettelijk instrumentarium. Sinds de eerste aanslagen in Parijs is op dat vlak al veel gebeurd, maar dat mag niet aan onze aandacht ontsnappen.

 

Wij moeten meer aandacht besteden aan veiligheid. Wij moeten meer middelen besteden aan veiligheid. Wij moeten ook aandacht hebben voor de democratische controle van diegenen die de veiligheid voor ons zullen moeten uitoefenen.

 

Dit mag ons er niet van weerhouden om aandacht te hebben voor de fundamentele rechten en vrijheden van de absolute overgrote meerderheid van mensen in ons land, Belgen en niet-Belgen, die het goed menen met hun naasten en niet moeten inboeten op hun vrijheden en hun rechten ter zake. Dat gezonde evenwicht tussen veiligheid en vrijheid moeten we bewaren als we een democratische samenleving willen behouden.

 

Collega's, ik wil het samen met u even hebben over het laatste deel, dat een ontluisterend beeld gaf over de uitbreiding van het radicalisme in onze samenleving, gevoed door krachten die gericht zijn op confrontatie en polarisatie, nieuwe technologieën gebruikend, gevoed zowel in het gevangenismilieu alsook vanuit het buitenland.

 

Ik zal nooit een uitspraak vergeten in de getuigenis van een van de veiligheidsmensen: "Je radicaliseert zeer snel, maar het is verdomd lastig om iemand te deradicaliseren. Dat vergt een pak meer tijd". Dat wijst erop hoe belangrijk preventie is.

 

Een proces van radicalisering kent veel facetten. In dat verband wil ik even citeren wat ik afgelopen weekend heb gelezen en wat mij erg frappeerde. Ik citeer professor Cas Mudde in een interview: "Het is compleet idioot te beweren dat die terreur niets met de islam te maken heeft, maar verkondigen dat zij er alles mee te maken heeft, is net zo idioot. Als je beweert dat je terreur kan voorkomen, ben je gewoon niet eerlijk. Je creëert vooral foute verwachtingen en je speelt in op gevoelens van xenofobie. Uiteraard moet je niet wegkijken, maar als je alles gaat benoemen, moet je ook alles benoemen. Het terrorisme komt inderdaad uit Molenbeek en niet uit een dure villawijk. Discriminatie en sociale achterstand zijn natuurlijk geen excuus om mensen op te blazen, maar de achtergrond van die terroristen is in de meeste gevallen niet streng-islamistisch."

 

Collega's, achterstelling en discriminatie – die niet goed te keuren vallen – zijn naar onze mening geen geldig excuus om zich in een slachtofferrol te wentelen. Cultuurverschillen zijn echter evenmin een geldig excuus om een hele bevolkingsgroep te stigmatiseren.

 

Ik onthoud dat een meerderheid van mensen gericht is op een vreedzame en toekomstgerichte samenleving, mensen van verschillende origine en mensen van verschillende overtuiging. Een samenleving opbouwen doen wij niet alleen, maar wel samen. Dat lukt enkel als we bruggen bouwen en wanneer we verschillen durven te overstijgen.

 

In een Vlaamse krant las ik vanochtend dat de Saoedische kroonprins voor 2 500 bedrijfsleiders pleitte voor een gematigde en een tolerante islam, die hij wilde herstellen met een open blik op de wereld en andere religies, en dat hij het extremistisch gedachtegoed wil uitroeien. Als het bericht over dat pleidooi klopt, dan kan ik dat alleen maar toejuichen. Onze onderzoeks­commissie, onze assemblee en onze samenleving wensen dat immers eveneens uitdrukkelijk.

 

Collega's, ook in onze parlementaire onderzoekscommissie hebben wij bruggen gebouwd. Daardoor hebben wij de aanbevelingen uit onze commissie unaniem kunnen goedkeuren. De logica is dan ook dat er aan die aanbevelingen uitvoering wordt gegeven. Mijnheer de eerste minister, daartoe richt ik mij in de eerste plaats tot u en uw regering en ook tot de deelstaat­regeringen in ons land, die in verschillende van de betrokken materies bevoegdheden dragen.

 

Ik richt mij niet alleen tot ons land, ik richt mij ook tot Europa. Ik richt mij tot de diverse Parlementen, waaronder de onze. Het is onze collectieve verantwoordelijkheid deze aanbevelingen uit te voeren en ze op het terrein waar te maken. Dat zijn wij verschuldigd aan de slachtoffers en aan hun families.

 

U kan op volgende link het integrale versie van het verslag van de commissie vinden :

http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/54/1752/54K1752010.pdf