Wetsvoorstel grensarbeiders

2 oktober 2017

Wetsvoorstel grensarbeiders

 

Belgische grensarbeiders oefenen een beroepswerkzaamheid op het grondgebied van een andere lidstaat dan waar die gewoonlijk verblijft. Men wordt als grensarbeider beschouwd van zodra men tenminste eenmaal per week terugkeert naar de woonplaats.

Het statuut van grensarbeider heeft sociaalrechtelijke implicaties, waar het pensioen er één van is. Grensarbeiders genieten een bijzonder pensioenregime. De grensarbeider die minstens één jaar in een van onze buurlanden gewerkt heeft, opent het recht op een Belgisch grensarbeiderspensioen. Dat is een complement bij het buitenlandse pensioen om tot het niveau van het Belgisch pensioen te komen.

Het pensioencomplement werd hervormd door de programmawet van 19 april 2014. De hervorming is van kracht sinds 1 januari 2015. Het complement wordt enkel nog toegekend aan wie vóór 2015 periodes heeft als grensarbeider en die vóór 1 december 2015 de leeftijd van 65 jaar bereikt of voldoet aan de voorwaarden om een vervoegd rustpensioen te krijgen. Bovendien wordt vanaf 1 januari 2015 het complement pas toegekend als de buitenlandse wettelijke pensioenleeftijd wordt bereikt en het pensioen betaalbaar is.

In België is de wettelijke pensioenleeftijd vandaag 65 jaar. Die wordt door de wet van 10 augustus 2015 opgetrokken naar 66 jaar in 2025 en 67 jaar in 2030. In de ons omringende landen wordt de wettelijke pensioenleeftijd eveneens verhoogd. Die verschillende hervormingen houden geen gelijke tred waardoor de Belgische wettelijke pensioenleeftijd niet overeenkomt met de buitenlandse. De impact is het grootst voor grensarbeiders met een loopbaan in Nederland en Duitsland. De Nederlandse AOW-leeftijd is vandaag 65 jaar en 9 maanden en gaat versneld omhoog naar 66 jaar in 2018 en 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. In Duitsland is een stijging voorzien van 65,5 jaar vandaag naar 66 jaar in 2024 en 67 jaar in 2031.

Er ontstaat een probleem wanneer grensarbeiders werkloos of arbeidsongeschikt worden na hun 65e verjaardag. Hetzelfde geldt voor werknemers die in aanmerking komen voor een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag. Op die leeftijd hebben ze immers al wel de Belgische pensioenleeftijd bereikt, maar nog niet de buitenlandse pensioenleeftijd. Daardoor komt de Belgische grensarbeider in een sociale zekerheidsrechtelijk vacuüm terecht. In de praktijk kan beroep worden gedaan op een bijstandsuitkering.

De Federale Ombudsman wees in zijn jaarverslag 2016 op de toepassingsproblemen die ontstaan door de niet-gecoördineerde optrekking van de pensioenleeftijd en beveelt aan de nodige maatregelen te nemen om de continuïteit van de sociale rechten te garanderen.

Zo zal in 2020 een Belgische grensarbeider die het grootste deel van de beroepsloopbaan in Nederland heeft gepresteerd en aan het einde van de loopbaan werkloos wordt 20 maanden moeten overbruggen met enkel een beperkt Belgisch rustpensioen. Zo opent het recht op de Nederlandse AOW zich pas op de leeftijd van 66 jaar en 8 maanden. Door de tragere stijging van de Duitse wettelijke pensioenleeftijd bedraagt het hiaat in dezelfde situatie 8 maanden, aangezien de wettelijke pensioenleeftijd dan 65 jaar en 8 maanden bedraagt.

Ramingen van de Federale Pensioendienst geven aan dat in 2017 2.015 grensarbeiders geraakt worden door de hervorming. Dat aantal loopt op naar 2.928 in 2018, 3.741 in 2019 en 4.447 in 2020.

Samen met collega Stefaan Vercamer en Vincent Van Peteghem wens ik dit hiaat in de wetgeving weg te werken. Daarom stellen wij voor het vervangingsinkomen te laten doorlopen tot de leeftijd dat men zijn volle pensioenaanspraken (i.e. het Belgische en buitenlandse pensioen) kan opvragen. Tot dat ogenblik dient het Belgische wettelijk pensioen in mindering te worden gebracht van het vervangingsinkomen.  

Hieronder vindt u het integrale voorstel.